De kwaadwillige verlating van Aaltje Claassen: een vertelling in twee schepen – 3
In deel twee vraagt Aaltje een echtscheiding aan van Hindrick op grond van kwaadwillige verlating. Die is inmiddels al twee jaar geleden met zijn schip met de noorderzon vertrokken. Aaltje en Hindrick hebben elkaar sindsdien niet meer gezien. Terwijl ze nog steeds wacht totdat de scheiding erdoor is, krijgt ze een nieuwe relatie met Evert Alting, de halfbroer van haar eerder gestorven echtgenoot Abram de Cort.
Evert en Aaltje kennen elkaar al vanaf hun kinderjaren. Ook tijdens de periode dat ze met Hindrick samenwoont, komt Evert regelmatig langs. Vanaf zijn huis aan de Reitemakersrijge naar Aaltjes huis aan de Sledemennerstraat is het vijf minuten lopen. Hier zie je de route. Daar zit hij dan ‘dicwijls an de koffij tafel’.
Hindrick vindt dat maar niks. Hij vermoedt dat er sprake is van een affaire tussen de twee. Maar nooit kan hij ze ergens op betrappen. Wel zegt hij dat hem ‘uit verscheiden omstandigheden is gebleeken, dat de persoon van Everdt Hindriks an haar aangenaamer was dan hem.” Aaltje prefereert dus Everts gezelschap boven dat van Hindrik, volgens hem.
Ze heeft zeker goede redenen om niet dol te zijn op het gezelschap van haar man. Volgens de verklaringen van nabuiren en ook volgens Hindricks eigen nicht Marghijn Panders heeft Hindrick namelijk een drankprobleem en mishandelt hij zijn vrouw. Marieke Jans, die naast het koppel heeft gewoond, vertelt hoe ze op een dag -terwijl Aaltje notabene ligt te bevallen- door Aaltjes dan 5-jarige zoontje Lodewijk wordt geroepen: ’Marieke, help moeder!’, en dat het kind daarna gewezen heeft: ’Vader wil moeder de hals omdraijen!’ Dit verhaal wordt bevestigd door een andere nabuir, Marieke Thomas.
Marieke Thomas verklaart tevens dat Hindrick zwaar aan de drank is, en dat hij Aaltje haar huishoudgeld onthouden zou hebben. Ze getuigt ook dat Hindrick zijn vrouw bij een andere gelegenheid tegen een kast heeft aangesmeten. Op Mariekes vraag, waarom hij dit deed, zou hij hebben geantwoord: ‘als mij sulks in t sin koomt moet ik sulks doen.’

Marghijn Panders vertelt over een voorval, waarbij hun zoontje Aaltje vraagt om ‘een oortjen’, (een koperen muntstuk ter waarde van een kwart stuiver). Zijn moeder antwoordt:’ laat U vader u een oortjen geeven, die geeft mij geen Geldt’. Hierop ontsteekt Hindrick volgens Marghijns verklaring in grote woede, sleept Aaltje aan haar haren door de kamer en smijt haar tegen de kast aan. Ook Aaltje zelf vertelt over het geweld, en de poging om haar nek om te draaien terwijl zij ligt te bevallen. Over haar huwelijk merkt ze verder droogjes op ‘niet veel plaisier met deselve gehadt te hebben dewijl sterck an den dranck was’.
Of het uit liefde is, dat ze eind 1740 de hulp inschakelt van het Stadsbestuur om de man die haar zo zwaar mishandelt op te sporen, is maar de vraag. Waarschijnlijker is, dat ze het doet omdat ze economisch van hem afhankelijk is, zoals bijna alle 18e eeuwse getrouwde vrouwen. Ook de druk van de creditoren van de hypotheek op het schip, die geld willen zien, speelt waarschijnlijk een belangrijke rol.
Lees verder in deel vier.
Afbeelding bovenaan: Man ontvangt zijn vrouw thuis met stokslagen, ets door prentmaker Caspar Luyken, 1704, collectie Rijksmuseum