De kwaadwillige verlating van Aaltje Claassen: een vertelling in twee schepen – 1
Als de 33-jarige Aaltje Claessen op 15 november 1740 aanklopt bij het Stadsbestuur van Groningen, is het voor iedereen duidelijk: zij is het slachtoffer. Aaltje is in augustus 1739 verlaten door haar echtgenoot Hindrick Lodewijks. Niet alleen neemt hij bij zijn vertrek alles mee wat hij maar mee kan nemen, hij gaat er ook vandoor met hun kofschip, hun enige bron van inkomsten. Haar laat hij achter met de hypotheek en de zorg voor hun zoontje Lodewijk. Maar na verschillende onvoorziene wendingen zal zij als dader worden veroordeeld, terwijl hij vrijuit gaat.
Maar zover is het voorlopig nog niet. Laten we beginnen bij het kofschip, bij de meeste 21ste eeuwers bekend als ezelsbrug voor de correcte spelling van voltooid deelwoorden. Maar voor 18e eeuwers is het – lang voordat er sprake zal zijn van de eerste standaardspelling – een in Noord-Nederland algemeen voorkomend, niet al te groot vrachtschip. Een kof kan door de geringe diepgang ver landinwaarts komen. Dit type wordt gebruikt voor de vaart op de Oostzee, Engeland, Schotland, Ierland en Noorwegen. Hindrick zelf vaart vooral op Holland, maar is volgens eigen zeggen ook wel eens ‘buitenslands’.
De kof van Aaltje en Hindrick is ’12 a 13 last groot’. In hedendaagse maten is dat ongeveer 25 ton, bij een lengte van zo’n 16 meter. En -niet onbelangrijk in dit verhaal- er rust een hypotheek op. Hindrick mag het schip daarom niet verkopen buiten zijn wettige echtgenote om, en ook niet zonder dat zijn creditoren -zijn geldschieters- daarvan af weten.
Toch verpatst hij de kof aan zijn broer Tijs, schipper op Texel. Of, zoals het in het request staat, hij heeft ‘het Cofschip staande Huwelijck angekogt van hier gebragt en op frauduleuse wijse in Texel an sijnen broeder Tijs Lodewijcks quasi getransporteert in praejudicie van Suppliantes regt en der daar op gehijpothequeerde Bijl, zijl en ijserbrieven’.
Het Stadsbestuur is het eens met Aaltje. Dit kan echt niet. Verscheidene maatregelen worden uit de kast getrokken. Er verschijnt een oproep in de kranten om Hindrick te sommeren zich te melden bij de autoriteiten. Deze oproep wordt ook aangeplakt aan de stadspoort, zodat elke voorbijganger hem kan lezen. Daarnaast schrijft de Stad ‘de Regeeringe der stadt Enckhuisen’ aan met het verzoek om het schip terug naar Groningen te sturen.
Op 13 december 1740 schrijft het Stadsbestuur aan de Enkhuizer schepenen: ‘opdat voornoemde Schip en het op hebbende Zeijl, treijl, wandt en verdere annexen niet ten eenemaal detoriere (..) verzoeken Uwe Edele Agtbare gelieven gemelde Schip te relaxeren’. Of zij de kof dus terug willen sturen, voordat die nog verder in waarde vermindert.
Hier zou het verhaal kunnen eindigen. Het schip komt terug naar Groningen, waarop Aaltje en de creditoren hun geld krijgen. Wellicht is er zelfs kans op verzoening met Hindrick. Maar zo gaat het niet. Dit is nog maar het begin.
Lees verder in deel twee
Afbeelding bovenaan: Kof die leijt te kielen, kopergravure door Gerrit Groenewegen, 1801, Zuiderzeecollectie