De noodlottige dood van Harmen Joosten – 1
Petrus Wolphius Ducher is een goede vier jaar predikant in de kerkelijke gemeente Bellingeweer als de Münsterse troepen in juli 1672 de stad Groningen naderen. Bellingeweer is dan een klein dorp, om en nabij 15 kilometer ten Noorden van Groningen. Zo’n anderhalve eeuw later zal het opgaan in het veel grotere, ernaast gelegen Winsum. Duchers bescheiden parochie schommelt in deze jaren tussen de veertig en vijftig ledematen. Hij maakt de indruk van een bevlogen man, terwijl hij in het kerkeboek nauwkeurig verslag doet van zijn parochie, waaraan hij refereert als ‘mijne kudde & schapen’.
Hij doet zoals het een goed predikant betaamt verslag van het avondmaal, van belijdenissen, nieuw aangekomen leden, van huwelijken en dopen en ook van de huisbezoeken, die hij regelmatig aflegt. Hij zorgt ervoor, dat ruzies ‘in der minne worden bijgeleght’, dat buren weer met elkaar door één deur kunnen, en dat er vergiffenis wordt gevraagd en geschonken in die kleine gemeenschap van mensen, waarin ongetwijfeld velen van elkaar afhankelijk zijn.
Maar zijn bericht van de maand juli 1672 wijkt significant af. Het is het enige bericht in het hele kerkeboek met een grotendeels werelds karakter.
Het begint met de melding van de noodlottige dood van parochielid Harmen Joosten, die is gestorven tijdens de belegering van de stad Groningen. Volgens de tekst overleed hij in de Ebbingestraat, en wel door een 24-ponds ‘kougel’. Deze melding gaat naadloos over in een algemeen verslag van de belegering, compleet met datums, de sterkte van het leger (‘een armee van 22000 mannen’) en de gebruikte wapens (‘gloeijende kougels, sware bomben en granaten, item stinckepotten’).
Het bericht sluit af met een minutieuze optelling van ‘4500 dooden, 1426 gequetsten, 600 overloopers binnen Groningen, en 5000 overloopers na andere Provintiën’. Waar hij deze getallen vandaan heeft, terwijl het beleg nog nauwelijks ten einde is, weten we niet. Ducher telt de getallen bij elkaar op, zodat hij op een totaal van 11556 slachtoffers komt.
In zijn volgende berichten gaat hij weer over tot de kerkelijke orde van de dag, en ook elders schrijft hij nooit meer iets in het kerkeboek dat niet direct betrekking heeft op zijn parochie. Het is daarom aannemelijk dat er achter Duchers feitelijke weergave van het beleg een grote persoonlijke geschoktheid schuilgaat.
Iets anders dat opvalt aan deze optelsom van slachtoffers, is dat hij geen verschil maakt tussen vriend of vijand. Aan Münsterse zijde is het dodental veel hoger dan aan de Groningse kant. Zo vielen er onder de soldaten van de bisschop zo’n 4600 doden, terwijl er in de stad ‘slechts’ om en nabij de 80 mensen stierven als gevolg van bominslagen, kogels of vallend puin, plus nog eens 15 soldaten.
Duchers cijfers beschouwende, lijkt het waarschijnlijk dat hij alle slachtoffers van beide zijden zonder onderscheid bij elkaar heeft opgeteld. Daarmee lijkt hij dit beleg niet te beschouwen als een verhaal van winners en verliezers of van slechten en goeden. In plaats daarvan ziet hij dit beleg op de eerste plaats als een algemeen menselijk drama, dat veel levens heeft gekost en dat daarnaast ook talloze andere heeft ontwricht. Lees hier verder voor het vervolg.
Of lees deze geschiedenis op de site van de Groninger Archieven

Afbeelding bovenaan: uitsnede van de kaart van de provincie Groningen, vervaardiger P. Kaerius ex., 1616, Groninger Archieven. Bellingeweer ligt noordelijk op de kaart.