De noodlottige dood van Harmen Joosten – 2

De noodlottige dood van Harmen Joosten – 2

Dit is deel twee van het relaas over de landman Harmen Joosten, die in juli 1672 sterft door een verdwaalde 24 ponds kogel in de Ebbingestraat tijdens het beleg van de stad Groningen

Wat deed Harmen die noodlottige dag in juli in de stad Groningen, notabene middenin een beleg, als hij geen Stadjer was? De informatie over zijn persoon is zeer summier. We weten, dat hij oorspronkelijk afkomstig is uit het dorp Rasquert en dat hij al in 1649 trouwde met ene Menje Claessen. In 1672 moet hij dus al op enige leeftijd zijn geweest. Waarschijnlijk was hij één van de vele mensen in die tijd, die noch door hun afkomst, noch door hun beroep of vermogen veel sporen nalieten in de archieven.

Daarom kunnen we alleen speculeren. Naarmate de tijd van het beleg verstreek, raakte de stad steeds voller met vluchtelingen, die meestal met succes een veilig heenkomen zochten. Veel mensen afkomstig van het platteland ten zuiden en oosten van de stad, waar de soldaten plundertochten maakten, zochten hun toevlucht binnen de stadsmuren.

Het Wytlopiger Journael, Van ’t gepasseerde In en omtrent de Stadt Groningen, meldt over de vluchtelingen en de drukte in de stad bijvoorbeeld het volgende: ’De vluchtelingen die van buiten by duisenden hier binnen waeren gekomen, hadden reets alle plaetsen bynae vervult, hier by quam noch de menichte der menschen die voor de poorten gewoont hadden. En nu was by nae de halve Stadt oock nae de andere zijt gevlucht, soo dat alle kaemers vol gepropt van menschen waeren.’

Hoewel er tijdens die maanden niets zeker was, bleven Bellingeweer en Winsum hoogstwaarschijnlijk buiten schot. Het dichtstbij kwamen de bisschoppelijke troepen tijdens hun aanval vanaf 25 juli op Aduarderzijl, dat deel uitmaakte van de noordwestelijke waterlinie.

De schans van Aduarderzijl lag maar zo’n 7 kilometer ten westen van de woonplaats van Joosten. Op hun tocht er naartoe waren de soldaten al plunderend door het dorp Enumatil getrokken. Van deze aanval moet dan ook een flinke dreiging zijn uitgegaan voor de omliggende gebieden. Op de dag van de aanval op Aduarderzijl krijgt de artilleriemester Muller niet voor niets de opdracht om ‘an Peter van Londen voor de Carspelen Winsum ende Obergum uit te langen 50 Libra buspulver’. Vijftig pond buskruit wordt er dus uitgedeeld, zodat de bewoners van Winsum zichzelf, als de nood aan de man komt, kunnen verdedigen. Harmens woonplaats bevindt zich evenwel gelukkig relatief veilig aan de andere zijde van het Reitdiep.

Hoe waarschijnlijk het is dat Harmen eind juli op de vlucht sloeg voor dreigend oorlogsgeweld, is moeilijk te beoordelen. Uit de inundatiekaart van kaartenmaker Jannes Tideman, blijkt dat hoewel er in de directe omgeving grote partijen land in onbegaanbaar moeras waren veranderd, Joostens dorpsgenoten nog droge voeten hadden. Vluchten voor het water was dus niet noodzakelijk.

Als we ons weer verplaatsen naar de stad, dan wordt uit het eerder geciteerde fragment uit het Wytlopiger Journael duidelijk, dat het in het noordelijke gedeelte van de stad, en daarmee ook in de Ebbingestraat, gekrioeld moet hebben van de mensen. Zelfs vóór het beleg was de Ebbingestraat al een belangrijke en levendige winkelstraat, en daarbij ook nog eens van oudsher de weg naar het Hogeland. Harmen bevond zich in die zin dus op een logische plek. Zelfs nu nog geeft googlemaps –gevraagd om de fietsroute vanaf Bellingeweer naar het centrum van Groningen- een route die voert door de Ebbinge.

Het is dus mogelijk, dat Joosten helemaal niet op de vlucht was, en dat hij zich in Groningen bevond vanwege een andere reden. In de meer dan een eeuw later uitgebrachte ‘Geschiedenis van het beleg van Groningen in 1672’ geschreven door Eillert Meeter, is sprake van het volgende relaas. ‘De 27sten, ’s Woensdags, in den vroegen morgen, gebruikte de vijand het eerst zijn grof geschut. Met eene batterij van vijf halve kartouwen had hij zich op het einde van den Oosterweg geposteerd, van waar hij de stad hevig beschoot. (..) Een kogel, die tot in de Nieuwe Ebbingestraat vloog, nam een landman uit Winsum bijna het geheele hoofd weg: dezelfde kogel trof vervolgens eene pottebakkers vrouw, Marretje Geerts genaamd, en nam haar het kind uit den arm weg, die gedeeltelijk verbrijzeld werd.’

Lees hier verder voor het vervolg, of lees deze geschiedenis op de site van de Groninger Archieven.

Terug naar deel 1

Lees ook:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »