De vrouw die zich niet gedroeg – 1

De vrouw die zich niet gedroeg – 1

Onderstaand verhaal bevat de voorlopige neerslag van het onderzoek naar de 18e eeuwse Tietje Jouckes uit het Groningse Borgercompagnie, die sporen naliet in de archieven dankzij het feit, dat ze zich niet gedroeg.

Als Tietje –afgeleid van Titia- opduikt in de archieven, is ze een jaar of dertig en wordt ze in het Groningse Zuidbroek van 1728 gegeseld en opgesloten ‘wegens haar quaad leven, wandel en gedrag begane hoereriën, en andere quate gedane feiten’. Die tekst liegt er niet om. Omdat Tietje van bescheiden afkomst is, en vrouw, vinden we haar eigen stem nergens terug. Hoe ze zelf over haar leven dacht, weten we dus niet. Het enige dat met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat zij relaties onderhield met mannen zonder getrouwd te zijn, en dat ze ongehuwd kinderen kreeg.

Of zij daadwerkelijk in haar onderhoud voorzag door middel van betaalde seks, is de vraag. Er is wel één aanwijzing in die richting. In 1719 wordt namelijk over haar geschreven dat zij ‘,woonachtigh is op de Borger Compagnie, in het Huis daar de witte zwaan uithangt’. Een uithangbord met een witte zwaan bij een herberg wijst in sommige gevallen op de mogelijkheid van betaalde seks.

Uithangbord met witte zwaan, collectie Warkums Erfskip

Ongehuwd relaties aanknopen met mannen viel echter net zo goed onder ‘hoereriën’. Over een tijdsspanne van zo’n twintig jaar wordt er in de stukken van drie verschillende partners melding gemaakt. In 2026 zou niemand daar meer van opkijken. Maar drie eeuwen eerder wordt er driftig over haar geschreven door verschillende gezagsdragers in de stad Groningen, en in Veendam, Zuidbroek en het Landschap Drenthe.

Tietje vormt in hun ogen een probleem, een probleem waar bovendien maar geen einde aan lijkt te komen. Ze is een doorn in het oog van bestuurders en handhavers van de orde, omdat ze zich niets aantrekt van de geldende seksuele moraal. Zo wordt niet alleen zijzelf in verschillende brieven beticht van ‘hoereriën’, ook haar kinderen worden betiteld als ‘hoerkinder’.

Daarnaast dreigt ze de plaatselijke overheid op kosten te jagen door ongehuwd en in armoede kinderen te krijgen. Want wie draait daarvoor op, als zij zelf de financiële mogelijkheden niet heeft?

Geld is dan ook het voornaamste motief achter de briefwisseling uit het jaar 1719 tussen Roelof van Echten, die op dat moment de functie van drost van Drenthe bekleedt, het stadsbestuur van Groningen en Reint ten Winckel, ‘drost der beijde oldambten tot Zuijdtbroeck’. Hun correspondentie handelt over Tietjes eerste kind, dat zij twee jaar tevoren te vondeling legde ‘in ’t Rolder velt’, in de landelijke omgeving nabij het Drentse Rolde dus. Gelukkig wordt het kind op tijd gevonden en ter hand gesteld aan pleegouders in Emmen, totdat vast komt staan wie de moeder is.

In het doopregister van de Nederlands Hervormde Kerk in Rolde staat op 29 november 1717 in lichtgrijze inkt helemaal onderaan de bladzijde gekrabbeld: ‘Een zoon gevonden in de Groller strubben gedoopt door order van den Hoogedele Welgeboren Heer Drost, en genaamt Jan.’ Hoewel niet bewezen kan worden, dat dit Tietjes baby is, is het wel het enige kind, waarvan expliciet wordt vermeld dat het in het veld te vondeling werd gelegd in precies de juiste periode.

Uit het doopregister van de Nederlands Hervormde Kerk in Rolde van 29 november 1717, Drents Archief. Klik op de afbeelding voor een betere leesbaarheid

De briefwisseling draait om de vraag, wie verantwoordelijk is voor dit jongetje, dat inmiddels een peuter is. Volgens Van Echten is het de hoogste tijd, dat hij naar zijn moeder gaat, zodat hij niet langer ten laste komt van het Landschap Drenthe. Hij schrijft daarover naar zijn collega-drost Ten Winckel, die zijn eerste brief negeert, en op zijn tweede missive antwoordt, dat hij niet voornemens is het kind op te nemen in Zuidbroek. Hierop beklaagt Van Echten zich in juli 1719 bij het stadsbestuur in Groningen. Het kind hoort bij zijn echte moeder in Zuidbroek, en niet bij pleegouders, betoogt hij.

Deze brief zorgt voor een onverwachte wending. Het stadsbestuur besluit namelijk om Tietje op te pakken en alsnog te bestraffen voor het te vondeling leggen van haar eerstgeborene. Dan blijkt, dat ze als onderdeel van haar straf reeds verbannen is uit de provincie. Het zal niet de laatste keer zijn, dat ze zich niets aantrekt van een dergelijk vonnis. Een groot deel van haar leven blijft ze onverstoorbaar wonen in de buurt van haar geboortegrond, in de driehoek tussen Veendam, Borgercompagnie en Zuidbroek. Bannissementen, opsluitingen en geselingen doen daar niets aan af.

Lees hoe het verder gaat in deel twee

Lees ook:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »