De gebreckelijke tentbewoner – 1
Net buiten de Herepoort van de stad Groningen pacht Jan Harms een lap grond van het Heilige Geestgasthuis. In november van het jaar 1727 richt hij voor de eerste maal een verzoek tot de Borgemeesteren ende Raadt. Misschien staat er op dat moment boerenkool op zijn land. Of wellicht heeft hij net winteruien geplant.
Harms verzoek draait om ene meneer Hansen, die zich ongevraagd heeft gevestigd in een tent in de nabijheid van zijn tuin. Deze Jacob Hansen verblijft daar niet alleen: hij laat ook een koe, een paard, eenden, kippen en een stel honden vrijelijk rondlopen, dwars door de moestuin van Harms. Moestuinieren is voor 18e eeuwers geen hobby om beter te aarden of om te ontspannen. Meestal wordt er getuinierd uit noodzaak.
Harms zit dan ook niet te wachten op de komst van deze beestenboel, dat elk sprietje opeet en zijn kostbare voedsel of handelswaar met wortel en tak uitroeit. Waarom Hansen -die kennelijk beschikt over een bescheiden tweekamerwoning in de Raamstraat, binnen de stadsmuren- verkiest om middenin de winter in een tent te wonen, is onduidelijk.
Deze situatie is niet uniek. Begin juni 1710 wordt bijvoorbeeld door Berent Weijsman, die ook een stuk grond buiten de Herepoort pacht, geklaagd over ‘dat die Landerijen dickmaals van vreemde peerden ende beesten worden affgeweijdet’.
En in september van hetzelfde jaar meldt Evert Berents, die ook buiten de poort tuiniert, dat ene Albert Jans daar eveneens in een tent woont, en voorbijgangers uitscheldt en soms zelfs lichamelijk aanvalt.
Hansens zijn tent staat bij ‘het nieuwe werk’, zoals de Helperlinie werd genoemd, een verdedigingslinie die in 1695 was ontworpen om de stad te beschermen tegen aanvallen vanuit het Zuiden. De linie raakt echter snel in verval en zal pas aan het eind van de 18e eeuw weer worden hersteld. Wel zijn er begin 18e eeuw soldaten gelegerd bij het nieuwe werk.
Dat blijkt ook wel uit het feit, dat het in 1735 klachten regent over soldaten op deze locatie. Zo beschrijft de stadsdeurwaarder Olthoff, die vroeg op de avond buiten de Herepoort uit wandelen gaat met zijn vrouw en haar zuster, een situatie waarin hij ‘gekomen op de hoogte van zeker stuk hooijland ten oosten achter de Nieuwe werken op en gemeen beslaagen pad aan de fortificatien niet behoorende twee soldaaten de eene van vooren de ander van achteren hen komen bezetten willende hen mede sleepen na de waght met veel brutaliteit als of sij daar niet hadden mogen gaan.’
Afbeelding bovenaan: n, Groninger Archieven