De vrouw die zich niet gedroeg – 2
Dit is deel twee van de geschiedenis van de 18e eeuwse Tietje Jouckes uit het Groningse Borgercompagnie, die sporen naliet in de archieven dankzij het feit, dat ze zich niet gedroeg. Aan het einde van het eerste deel was er sprake van een levendige briefwisseling van de autoriteiten over de voogdij over haar oudste kind. Hierop besloot het stadsbestuur om Tietje op te pakken en haar alsnog te bestraffen voor het te vondeling leggen van haar eerstgeborene.
Het gesteggel met moeder en kind is hiermee nog niet ten einde. In september van hetzelfde jaar richten de Diaconen van Zuidbroek, verantwoordelijk voor de armenzorg, zich tot de stad Groningen. In deze brief duikt voor het eerst Tietjes tweede kind op, geboren in Zuidbroek en nu vijftien weken oud. Haar twee jonge kinderen worden op dit moment in het verhaal onderhouden door de diaconie, die deze dure verantwoordelijkheid probeert door te schuiven. Het oudste kind kan best weer teruggezonden worden naar Drenthe, zo wordt er geredeneerd. Daar is het immers geboren. En de jongste moet terug naar de moeder, die hem zelf maar moet onderhouden.
‘Goed’, luidt het antwoord van het stadsbestuur, ‘de jongste kan inderdaad terug naar moeder. En de oudste, daar moet Ten Winckel maar een oplossing voor vinden.’ Het laat zich raden waar de volgende brief vandaan komt. En, inderdaad, op 11 september schrijft de drost Ten Winckel aan het stadsbestuur van Groningen. Hij doet zijn best. Maar het oudste kind terugzenden aan het landschap Drenthe, dat wordt een onmogelijke taak. Omdat dit kind eerder op verzoek van het stadsbestuur naar Zuidbroek is gehaald, is Drenthe ‘van het onderhoudt gelibereert’.
Wel is er een vader in het spel, ene Wijmmer Jans, volgens Tietje de verwekker van beide kinderen. Maar Wijmmer ontkent zijn vaderschap. Ook Ten Winckel twijfelt aan deze verklaring, omdat ze een ‘seer quade naem’ heeft. Zijn conclusie luidt dan ook, dat ‘de quastie over het onderhoudt van het oudtste kindt, sal zijn tusschen de Carspelen Zuijdtbroeck en Veendam’.
Dan blijft het lange tijd stil in de requestboeken. Pas in 1728, negen jaar later, wordt ons opnieuw een blik gegund in het leven van Tietje. Ondanks herhaalde aanzeggingen om de provincie te verlaten, woont ze nog steeds in het carspel Zuidbroek en Muntendam. Misschien neemt ze het vonnis van haar verbanning niet meer serieus. In de praktijk komt er immers al jaren niets van de handhaving terecht, en kan ze gewoon haar gang gaan.
Zo schrijft Gerhard Schaffer, de opvolger van drost Ten Winckel, op 6 november 1728 aan het stadsbestuur, dat Tietje zich sinds het jaar 1719 ‘stoutelijk hier weder heeft opgehouden en in gruwelijke hoererien voortgevaren, sonder dat de Kerkenraad van Veendam mij ooit heeft geklaagd, dat zigh weederom daar ter plaatse heeft opgehouden.’
Inmiddels leeft ze ongehuwd samen met ene Syben Hindricks. Als ze zwanger raakt en het paar in het huwelijk wil treden, ligt de Zuidbroekse dominee Klugkist dwars. Tietje deugt volgens hem niet, en Syben is –in zijn woorden- ‘een persoon van een slegt leven’. Meermalen is hij ‘geregtelijk angesegt’ om uit de buurt te blijven van ‘slechte vrouwen’, een categorie waar Tietje in de ogen van zowel de drost als de kerkenraad ook onder valt. Het wordt hem zwaar aangerekend dat hij desondanks met haar samen is.
Tietje krijgt dus niet de kans om als fatsoenlijke, getrouwde vrouw een betere maatschappelijke positie te verwerven. Zij blijft onveranderlijk een ‘slechte vrouw’. Ook haar derde kind krijgt als consequentie daarvan het etiket ‘onecht’.
Het request, dat zij daarop bij het stadsbestuur van Groningen indient, heeft een volstrekt averechts effect. Voor het bestuur is het een herinnering aan het feit, dat Tietje op slechts twintig kilometer afstand van de stad al jarenlang haar verbanning aan haar laars lapt. Zo komt er abrupt een einde aan haar gedoogsituatie. Hoe dat afloopt, lees je in deel drie.
Terug naar deel één