De kwaadwillige verlating van Aaltje Claassen: een vertelling in twee schepen – 5

De kwaadwillige verlating van Aaltje Claassen: een vertelling in twee schepen – 5

Officieel is Aaltje in april 1742 nog steeds gehuwd met haar tweede echtgenoot Hindrick Lodewijcks, zoals je hebt kunnen lezen in deel vier. Omdat ze inmiddels zwanger is van haar nieuwe liefde Evert, trouwt ze toch nog een keer. De dominee weet van niets. Haar buren houden ook hun mond, als het voorgenomen huwelijk op de drie verplichte zondagen wordt afgekondigd in de kerk. De opzet lijkt geslaagd.

Begin oktober vertrekt het echtpaar echter naar Amsterdam. Heeft iemand hen gewaarschuwd, dat ze weg moeten uit Groningen? Het is duidelijk geen plezierreis, want Aaltje is inmiddels bijna acht maanden zwanger. De gebruikelijke route naar Amsterdam voert binnendoor naar het Friese Lemmer. Daar stapt het paar over op een groter zeilschip, dat hen over de Zuiderzee naar Amsterdam brengt. Alleen de oversteek naar Amsterdam duurt tenminste 12 uur bij de meest gunstige weersomstandigheden. De gehele reis neemt dus enkele dagen in beslag.

Snikkevaarders Johannes Mesebroek en Sybring Hakes getuigen later, dat ze op een dinsdag om acht uur ’s morgens ‘een manspersoon in schipperskleederen en een vrouw hoogswanger in haar Schuite hadt gehadt’ en naar Strobos gebragt’. Het Friese dorp Strobos ligt op de vaarroute naar Lemmer.

Bij aankomst in Amsterdam nemen Aaltje en Evert hun intrek bij Aaltjes zuster Cornelia en haar man Jacob Wessels aan de Bickersstraat op het Bickerseiland, waar het wemelt van de scheepswerven. Evert zal daar als scheepstimmerman geen moeite hebben om aan werk te komen. Zijn zwager Wessels drijft er een handel in lakense (wollen) stoffen. Aaltje is niet de enige hoogzwangere in het huis. Ook Cornelia verwacht een kind. Uiteindelijk zullen ze slechts 12 dagen na elkaar bevallen.

Lakenwinkel met verkoper en klant, prentmaker: Monogrammist MG, Noordelijke Nederlanden, 1736, collectie Rijksmuseum

Aan de andere kant van de Zuiderzee blijken de Heeren Commissarissen der Houwelijkse zaaken van de stad Groningen inderdaad te zijn getipt. De zaak wordt niet licht opgenomen. De stadsadvocaat -de juridische adviseur van de stad – stuurt verschillende brieven uit om de verblijfplaats van het koppel te achterhalen. Op 17 november 1742 schrijft Pieter Willem Ramaker, procureur van het hof van Friesland, dat het niet eenvoudig zal worden om hen op te sporen, ‘dewijl riets 30 a 35 dagen verstreken zijn sedert zijlieden haar van Groningen begeven hebben.’ Aaltje en Evert zijn dus al ruim een maand weg. De kans dat het paar zich nog in Friesland ophoudt, acht hij klein, maar hij belooft navraag te doen.

Zou het dankzij de ijver en connecties van Ramaker zijn, dat de verblijfplaats van het paar uiteindelijk wordt ontdekt? Op 11 december 1742 schrijven de Schout en Schepenen der stad Amsterdam aan het Stadsbestuur van Groningen:’ In voldoeninge van Uw Edele Groot Achtbare verzoek bij derselver missive van den Vierde deser aan ons gedaan hebben Wij den bewuste Evert Hendricksz en Aaltje Claasen doen apprehendeeren, welke wij bereid zijn aan die geene over te Leveren welke Uw Edele Groot Achtbare daartoe zullen gelieven te committeeren.’ De schout heeft Evert en Aaltje gevonden en opgepakt. Ze zullen onder escorte worden teruggebracht naar Groningen. In dit schrijven overigens geen woord over Aaltjes pasgeboren zoon Hindrick, die dan iets meer dan twee weken oud moet zijn. Over zijn leven is verder geen enkel spoor terug te vinden.

Brief van de Schout en Schepenen van Amsterdam over de arrestatie van Aaltje en Evert. Wil je hem zelf lezen? Klik op de afbeelding.

Zo veranderen Aaltje en Evert binnen het tijdsbestek van een jaar van oppassende burgers en levenslange vrienden, eerst in geliefden, en daarna op een traploze manier, terwijl ze geen controle kunnen uitoefenen over hun lot, in voortvluchtige criminelen, om te eindigen in de Stads Geweldige -de gevangenis- van Groningen.

De aanklacht tegen hen is tweeledig. Ten eerste wordt hen bigamie ten laste gelegd. Een directe reactie op het niet rond krijgen van de scheiding en op de enorme sociale, levenslange druk die het ongetrouwd krijgen van kinderen teweeg brengt. Sommige ongehuwde moeders lopen daar bovenop de kans om publiekelijk te worden gegeseld en of om in het tuchthuis te belanden (zie ook de geschiedenis van de uit Borgercompagnie afkomstige Tietje Jouckes). Zo zitten Aaltje en Evert dus klem in de waarden en normen van hun tijdsgewricht, en moesten ze wel doen wat ze hebben gedaan.

Fragment van de Stadsconstitutie van Groningen, Groninger Archieven

Het koppel wordt ook beschuldigd van bloedschande. In onze ogen een onbegrijpelijke aanklacht. Het woord ‘bloed’ suggereert een biologische verwantschap, terwijl Aaltje en Evert op geen enkele manier aan elkaar verwant zijn. Deze aanklacht vindt zijn oorsprong in het bijbelboek Leviticus. Maar deze wet over bloedschande maakt ook deel uit van de Groninger Stadsconstitutie uit 1702. In artikel 29 staat:’ wegens affiniteyt off Swaegerschap is het houwelijk verboden tusschen een Man ende sijns Broeders Weduwe.’ Het feit, dat Aaltjes eerste echtgenoot Abram dezelfde moeder heeft als Evert volstaat dus. In de praktijk wordt deze vrij specifieke uitleg van bloedschande echter weinig strafrechtelijk toegepast in de provincie Groningen.

Ga door naar deel zes voor het vonnis.

Bij de huwelijksintekening staat deze tekst, waaruit blijkt dat het huwelijk eerst voltrokken en daarna weer gedissolveerd is wegens bigamie en bloedschande. Klik op de afbeelding voor de bron.

Afbeelding bovenaan: uitsnede van de Zeekaart van de Waddenzee en Zuiderzee, vervaardigd door Hendrick Donkcker, 1664, Fries scheepvaartmuseum, Zuiderzeecollectie.

Terug naar deel vier

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »