De kwaadwillige verlating van Aaltje Claassen: een vertelling in twee schepen – 6
In deel vijf worden Aaltje en Evert opgepakt in Amsterdam en teruggebracht naar Groningen. Daar worden ze opgesloten in de Stadsgeweldige en aangeklaagd wegens bigamie en bloedschande.
Het bijna 150 pagina’s tellende strafdossier levert een vonnis op, dat veel 21ste eeuwers onbegrijpelijk en onrechtvaardig in de oren zal klinken. Hindrick heeft Aaltje nooit kwaadwillig verlaten, is de eerste conclusie. Het feit dat hij haar in december 1739 welgeteld één keer een brief met een half pond thee heeft gestuurd, -om daarna overigens nooit meer iets van zich te laten horen- is afdoende bewijs, aldus de tekst.
Alle feiten, die in een andere richting wijzen, doen er niet toe. Bijvoorbeeld dat Hindrick bij zijn vertrek alles meeneemt wat hij maar mee kan nemen uit hun gezamenlijke inboedel tot aan een deel van Aaltjes eigen kleding toe. Dat hij het schip dat aan hen beiden toebehoort en waarop een hypotheek rust, verkoopt zonder haar te consulteren, haar achterlatend met de schuld. Dat hij volgens verschillende getuigen in 1740 enkele dagen in de stad Groningen is, zonder bij zijn vrouw langs te gaan, en dat hij Aaltje bovendien gedurende zijn afwezigheid van drie jaar nooit geld stuurt voor haar levensonderhoud.
Er is ook niemand die op haar hand is en die deze zaken te berde kan brengen. In de procedure is namelijk geen plek voor de verdediging van een verdachte. De getuigenissen en de verhoren dienen alleen om de zaak tegen haar te ondersteunen. Nu betitelen we het als tunnelvisie, als politie en justitie voordat alle verdachten zijn uitgesloten, alle getuigen zijn gehoord en alle mogelijke scenario’s bekeken, al hun mening klaar hebben.

Hoewel uit de getuigenissen duidelijk naar voren komt, hoeveel geweld Hindrick tegen zijn vrouw gebruikt en hoe wreed hij haar behandelt, haalt deze zware mishandeling de vonnistekst niet eens. Het feit, dat ze haar leven niet zeker was, geldt op geen enkele manier als verzachtende omstandigheid.
Het vonnis eindigt met een opvallend ongelijke strafmaat. Aaltje en Evert worden voor dezelfde twee vergrijpen veroordeeld. Evert wordt ook nog verweten, dat hij ‘Hindrik Lodewijks sijn vrouw heeft ontvreemt.’ Toch wordt alleen Aaltje eerst door de beul publiekelijk aan de kaak gesteld en vervolgens met stokken gegeseld, waarna ze de rest van haar leven wordt opgesloten in het tuchthuis. Evert moet verplicht toekijken bij Aaltjes geseling. Zelf hoeft hij een dergelijke straf niet te ondergaan. Hij wordt slechts verbannen uit de provincie. Dit enorme verschil in strafmaat wordt nergens verklaard of met argumenten ondersteund.
Op 4 april 1743 verdwijnt Aaltje achter slot en grendel. Op 3 augustus van hetzelfde jaar dient haar oudere zus Auke een verzoek in tot vrijlating, omdat Aaltje al meer dan zes weken ziek op bed ligt, in een omgeving die hoogstwaarschijnlijk niet al te gezond is. Het verzoek wordt afgewezen. Op de rechterbladzijde van het boek van het Provinciale Tuchthuis , waarin ‘namen benevens Sententiën der Tuchtelingen’ worden bijgehouden, staat naast Aaltjes inschrijving slechts deze ene sobere zin geschreven: ‘is overleden den 1 Maart 1745.’ Het is dus de vraag of Aaltje -zoals in het spinhuis op de afbeelding bovenaan- al spinnend haar dagen heeft kunnen doorbrengen. Mogelijk lag ze twee jaar lang tot aan haar sterven ziek op bed.

Toch is dit nog niet het einde van deze geschiedenis. In het zevende en laatste deel verdwijnt opnieuw een man met een schip.
Afbeelding bovenaan: Spinhuis, prent naar Caspar Luyken ca 1719-1759, collectie Rijksmuseum.
Terug naar deel vijf