De Odysseus van de gestichten: het relaas van een Rotterdamse zwerver – 4
Dit is deel vier van de bewogen levensgeschiedenis van Marinus van Kalkert. Het is inmiddels het midden van het jaar 1888. De afgelopen 14 jaar is Marinus als een menselijke jojo gedwongen op en neer gereisd tussen Rotterdam en Ommerschans, twee plaatsnamen die samen zo prachtig klinken, dat je een lied zou kunnen schrijven over de zich steeds herhalende reis. Waarschijnlijk bedelt hij in Rotterdam zijn kostje bij elkaar, totdat hij weer wordt opgepakt. Maar nu wacht hem geen enkeltje Ommerschans.
Ditmaal wordt hij een jaar lang opgesloten in een cel in de gevangenis van Hoorn. De kleur van zijn haren en wenkbrauwen wordt inmiddels omschreven als ‘grijs’. Voor het eerst wordt duidelijk uit de registers, dat hij nooit naar school is geweest, en dat hij niet kan schrijven. Hij is 65.
Na zijn vrijlating is hij slechts drie maanden op vrije voeten, als hij in 1889 weer voor de rechtbank in Den Haag moet verschijnen, en opnieuw veroordeeld wordt voor hetzelfde onontkoombare vergrijp van bedelarij. Anderhalf jaar detentie krijgt hij nu, die hij weer uitzit in dezelfde gevangenis.
Marinus’ eindeloze rondgang lijkt op een afstompende cadans, want twee maanden nadat hij zich in april 1891 weer vrij kan bewegen, bevindt hij zich opnieuw in een institutie zo’n veertig kilometer verderop: het Buitengasthuis in Amsterdam, op de afdeling ‘mannen zenuwziekten’. Vanaf hier wordt hij blijkens een aantekening verder verplaatst naar de afdeling krankzinnigen.
Dat roept vragen op, want mogelijk heeft hij zijn hele leven met geestelijke problemen geworsteld, in een tijdsgewricht waarin zulke zaken vaak niet werden herkend. Als Marinus wordt opgenomen, zijn er veranderingen gaande in de psychiatrie. Het inzicht dat patiënten humaner behandeld moeten worden, dringt langzaam door. In 1884 is er in het kader van de tweede krankzinnigenwet een begin gemaakt met de bouw van rijkskrankzinnigengestichten, waarbij psychiatrisch patiënten meer vrijheid krijgen.
Helaas is het Buitengasthuis nog een ziekenhuis oude stijl. Tot aan 1883 is het er vies, het personeel verkoopt de medicijnen per opbod aan de patiënten, het eten van de patiënten wordt opgegeten en er is sprake van drankmisbruik en mishandeling. Maar er zijn hervormingen gaande als Marinus er in juli 1891 arriveert.
Na een halfjaar wordt hij – wortelschieten is er in zijn leven immers zelden bij- weer verplaatst, dit keer naar het provinciaal geneeskundig gesticht voor krankzinnigen Meerenberg in Bloemendaal. Meerenberg is gebouwd op het terrein van een oude hofstede, aan de voet van de Kennemer duinen. Aan het einde van de negentiende eeuw puilt het gesticht zo uit, dat er een Meerenberg II verrijst. Het is een samenleving op zichzelf. Er bevinden zich een katholieke kapel, een protestantse kapel, een theater, een directeurswoning, een paviljoen voor onrustigen, een dokterswoning en een mortuarium op het terrein. Enkele jaren voor Marinus’ komst is er zelfs een spoorlijn voltooid, die de kolen voor de eigen gasfabriek aanvoert.
Afbeelding bovenaan: ollectie
Lees in het vijfde en laatste deel, wat hem volgens zijn patientendossier mankeerde.