De Odysseus van de gestichten: het relaas van een Rotterdamse zwerver – 3

De Odysseus van de gestichten: het relaas van een Rotterdamse zwerver – 3

Dit is deel 3 van de bewogen levensgeschiedenis van Marinus van Kalkert, die aan het einde van 1864 wegens bedelarij is veroordeeld, waarna hij in september 1865 voor de eerste maal wordt opgezonden naar de bedelaarskolonie in Veenhuizen.

In de jaren die volgen, gaat hij bijna eindeloos op en neer naar Veenhuizen en Ommerschans, beide onvrije koloniën van de Maatschappij der Weldadigheid. Ondanks de initiële edele motieven van de Maatschappij om arme mensen te verheffen, en hen tot ‘productieve’ burgers om te vormen, is de praktijk weerbarstig. In de inschrijvingsregisters is zelfs een aparte kolom ingeruimd voor ‘de hoeveelste keer opgezonden’. Sommige mensen worden wel tien keer achter elkaar –meestal onvrijwillig, soms vrijwillig- in- en uitgeschreven.

Tussen zijn eerste en tweede opzending naar Veenhuizen vinden we Marinus terug aan de Tweede Lombardstraat in Rotterdam. Daar bevindt hij zich in een lange lijst met vrijwel alleen maar alleenstaande mannen, die geen familierelatie met elkaar hebben, wat erop wijst dat hij in een goedkoop logement woont, of een opvanghuis voor armen of werklozen. In het register staat bij zijn vorige woonplaats –je raadt het wellicht al- opnieuw ‘Ommerschans’ vermeld.

In het jaar 1880 vinden we hem eerst in Rotterdam. In augustus bevindt hij zich als veroordeeld bedelaar zo’n 65 kilometer verderop in de gevangenis in Heusden in Noord-Brabant. Het vonnis van de arrondissementsrechtbank van Den Bosch van 18 aug 1880 meldt daarover: ’Beklaagd van op den 11 augustus 1880 te Woudrichem te zijn bevonden zonder vaste woonplaats of middelen van bestaan en ongewoon enig beroep of ambacht uit te oefenen’. Hij wordt veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf in Den Bosch, en opzending naar een bedelaarsgesticht.

Signalement van Marinsu Kalkert, gevangenisregister Heusden. Klik op de afbeelding voor de gehele bladzijde

Viermaal wordt hij in de periode van 1880 tot 1888 in een onvrije kolonie geplaatst: één keer in Veenhuizen en drie keer in het gesticht Ommerschans. In de tussenliggende periodes woont hij steeds op hetzelfde adres in Rotterdam bij de weduwe Kempers. Het gaat hier om Cornelia Lobbe, die een logement uitbaat aan de Lange Lijnstraat. Wellicht bood dit vaste adres hem enige vorm van stabiliteit, tussen de turbulentie van alle gedwongen verplaatsingen door.

Want hoelang houdt een mens een dergelijk leven vol? Een leven waar je zelf bijna geen regie over kunt uitoefenen, zonder stabiliteit, zonder vaste woonplaats of familie om op terug te vallen, een leven met periodes van zware arbeid, slechte leefcondities en dito voeding? Marinus houdt het in elk geval opvallend lang vol. Hij lijkt zowel instabiel en kwetsbaar als ook ijzersterk.

Volg Marinus’ gedwongen rondgang langs de gestichten verder in deel vier.

Terug naar deel twee

Afbeelding bovenaan: , vervaardiger J. van Genk, 1821-1830, collectie Maatschappij van Weldadigheid, Drents Archief

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »